Lijst met woorden van 7 letters bevattend met Snelle modus Klik om een vijfde letter toe te voegen
Klik om de laatste letter te verwijderen
Klik om de woordgrootte te wijzigen Allemaal alfabetisch Allemaal op maat 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Er zijn 16 woorden van zeven letters bevattend met AANWaanwaai aanwast aanwees aanweid aanwend aanwent aanwerf aanwerk aanwerp aanwies aanwijs aanwint aanwipt aanwoei aanwont gaan␣weg 20 definities gevonden- aanwaai — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwaaien.
- aanwast — w. (In een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwassen. — w. (In een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwassen.
- aanwees — w. (In een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanwijzen.
- aanweid — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanweiden.
- aanwend — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwenden.
- aanwent — w. (In een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwennen. — w. (In een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwennen.
- aanwerf — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwerven.
- aanwerk — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwerken.
- aanwerp — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwerpen.
- aanwies — w. (In een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanwassen.
- aanwijs — w. (In een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwijzen.
- aanwint — w. (In een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwinnen. — w. (In een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwinnen.
- aanwipt — w. (In een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwippen. — w. (In een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwippen.
- aanwoei — w. (In een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanwaaien.
- aanwont — w. (In een bijzin) gij-vorm verleden tijd van aanwinnen.
- gaan␣weg — w. Meervoud tegenwoordige tijd van weggaan.
|